De nutriëntenemissierechten (cijfers onder voorbehoud van wijzigingen)
Een beetje geschiedenis
De nutriëntenhalte was van kracht vanaf 1 januari 2002 tot en met 31 december 2006. Gedurende die periode moest elke aangifteplichtige zich houden aan de door de nutriëntenhalte vastgelegde productiegrens.
De nutriëntenhalte van het mestdecreet van 23 januari 1991 (ingevoerd in 2000) is in het nieuwe mestdecreet van 22 december 2006 vervangen door nutriëntenemissierechten. De omzetting van de nutriëntenhalte naar nutriëntenemissierechten vindt plaats in de loop van 2007, maar geldt met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2007.
Nutriëntenemissierechten (NER)
Om het mestoverschot te beperken, moet een stijging van het aantal dieren voorkomen worden, uiteraard zonder afbreuk te doen aan de groeikansen van de bedrijven.
Die doelstelling vertaalt zich in de nutriëntenemissierechten: individuele en verhandelbare rechten die op basis van mestproductie bepalen hoeveel dieren in een bedrijf mogen worden gehouden. De nutriëntenemissierechten worden toegekend aan een 'landbouwer', nl. één of meerdere exploitanten, die elk één of meerdere exploitaties kunnen hebben, en waarbij er geen autonoom beheer is aangetoond van de afzonderlijke leden.
Iedere landbouwer krijgt de verantwoordelijkheid om de nutriënten van zijn bedrijf correct te beheren. Het principe blijft dus hetzelfde: de landbouwer moet ervoor zorgen dat hij voor een bepaald jaar niet meer dierlijke mest produceert dan toegelaten volgens zijn nutriëntenemissierechten.
De nutriëntenemissierechten worden uitgedrukt in NER-D (D staat voor dieren), en worden berekend door de dieren van de nutriëntenhalte te vermenigvuldigen met een waarde uit de tabel die bij het nieuwe mestdecreet werden gevoegd. Er zijn vier soorten NER-D: NER-DR (runderen), NER-DV (varkens), NER-DP (pluimvee) en NER-DA (andere).
Uitbreiding blijft mogelijk
Uiteraard blijft het mogelijk om een bedrijf uit te breiden. Dat kan door de overname van nutriëntenemissierechten van andere bedrijven. Daarbij moet telkens 25 % ingeleverd worden. Uitzonderingen op deze regel zijn de eerste installatie van een bedrijf, de overname van melkquotum en een overname door de echtgenoot, de echtgenote, kinderen of schoonkinderen. Hetzelfde geldt voor een overname van de NER door een personenvennootschap waarbij de meerderheid van de aandelen in handen is van dergelijke dichte familieleden.
Een landbouwer die NER overlaat, kan dat maar vanaf het minimum van 200 NER. Bovendien moet de volledige diersoort worden stopgezet, behalve wanneer het gaat over de overdracht van NER voor runderen. Het is wel mogelijk om alle NER over te dragen aan meerdere landbouwers.
De landbouwer die NER overneemt van een bepaalde diersoort, mag die niet gebruiken om een andere diersoort te houden. Dit is een voortzetting van het 'tussenschot' van de vergunningen om te vermijden dat NER uit bepaalde sectoren zouden wegstromen en de prijs te hoog zou oplopen.
Uitbreiding kan ook door bijkomende nutriëntenrechten te ontvangen, die niet verder overdraagbaar zijn. Daartoe moet men aan een aantal randvoorwaarden voldoen, zoals een bewezen efficiënte mestverwerking.
Geen hinder voor bedrijven
Concreet is er door de komst van de nutriëntenemissierechten sprake van een beperking op de productie, maar ook van een ondersteuning van de ondernemingsdynamiek. Zo ondervindt geen enkel bedrijf hinder van de nieuwe maatregel, terwijl toch doelgericht gewerkt wordt aan de bestrijding van het mestoverschot.
Derogatie: meer bemesten met zorg voor waterkwaliteit
De Vlaamse regering werd door een beslissing van het Europees Hof in 2005 verplicht om
heel Vlaanderen als kwetsbaar gebied in te kleuren. Daardoor gelden in heel Vlaanderen de strengste bemestingsnormen van de Europese nitraatrichtlijn.
Vlaanderen wil onder bepaalde voorwaarden meer bemesten zonder afbreuk te doen aan de waterkwaliteitsdoelstellingen. Daarom diende ze in maart 2007 bij Europa een zogenaamd derogatieverzoek in. Op 6 november 2007 gaf het nitraatcomité gunstig advies over de derogatieaanvraag van Vlaanderen. Op 21 december 2007 besliste de Europese Commissie om het derogatieverzoek in te willigen.
De aangevraagde derogatie heeft een duurtijd tot eind 2010. Een verlenging van die derogatie door de Europese Commissie is enkel mogelijk wanneer de waterkwaliteit substantieel verbetert. Een haalbare kaart als de voorwaarden strikt worden opgevolgd.
Inhoud derogatie
Bemestingsnormen en teelten
Volgens de nitraatrichtlijn mag in kwetsbare zones water ten hoogste 170 kg stikstof per hectare en per jaar uit dierlijke mest worden toegediend. Wetenschappelijk onderzoek dat Vlaanderen liet uitvoeren toont aan dat in sommige gevallen landbouwers meer mest kunnen toedienen zonder daarbij de waterkwaliteit aan te tasten. De Vlaamse derogatieaanvraag stoelt op dit principe.
In Vlaanderen kan de bemestingsnorm voor dierlijke mest per hectare en per jaar worden verhoogd van:
- 250 kg stikstof voor grasland en voor maïs na een snede gemaaid gras.
Dit betekent een verhoging van 80 kg stikstof per hectare;
- 200 kg stikstof voor wintertarwe met nadien een vanggewas en voor suikerbieten of voederbieten. Goed voor een verhoging van 30 kg stikstof per hectare.
De totale bemestingsnorm voor stikstof blijft ongewijzigd behalve voor voederbieten, wintertarwe met een vanggewas en maïs voorafgegaan door een snede gemaaid gras op zandgronden. Voor die teelten is de maximale bemestingsnorm voor stikstof 260 kg stikstof per ha per jaar.
De bemestingsnormen voor percelen die onder derogatie vallen verschillen per jaar. U vindt ze in de tabellen hieronder.
Bemestingsnormen voor percelen onder derogatie 2007:
Gewasgroep |
P2O5 |
Totale N Niet zand |
Totale N zand |
N uit dierlijke mest |
N uit andere meststoffen |
N uit kunstmest |
Grasland |
100 |
350 |
350 |
250 |
170 |
250 |
Gras + maïs |
95 |
275 |
260 |
250 |
170 |
150 |
Wintertarwe met vanggewas |
95 |
275 |
260 |
200 |
170 |
175 |
Suikerbieten |
80 |
220 |
220 |
200 |
170 |
150 |
Voederbieten |
95 |
275 |
260 |
200 |
170 |
175 |
Bemestingsnormen voor percelen onder derogatie 2008:
Gewasgroep |
P2O5 |
Totale N Niet zand |
Totale N zand |
N uit dierlijke mest |
N uit andere meststoffen |
N uit kunstmest |
Grasland |
100 |
350 |
350 |
250 |
170 |
250 |
Gras + maïs |
90 |
275 |
260 |
250 |
170 |
150 |
Wintertarwe met vanggewas |
90 |
275 |
260 |
200 |
170 |
175 |
Suikerbieten |
80 |
220 |
220 |
200 |
170 |
150 |
Voederbieten |
90 |
275 |
260 |
200 |
170 |
175 |
Bemestingsnormen voor percelen onder derogatie 2009 en 2010:
Gewasgroep |
P2O5 |
Totale N Niet zand |
Totale N zand |
N uit dierlijke mest |
N uit andere meststoffen |
N uit kunstmest |
Grasland |
100 |
350 |
350 |
250 |
170 |
250 |
Gras + maïs |
85 |
275 |
260 |
250 |
170 |
150 |
Wintertarwe met vanggewas |
85 |
275 |
260 |
200 |
170 |
175 |
Suikerbieten |
80 |
220 |
220 |
200 |
170 |
150 |
Voederbieten |
85 |
275 |
260 |
200 |
170 |
175 |
Code van Goede Landbouwpraktijken
Het algemene principe van de Vlaamse derogatie is een doorgedreven toepassing van de code van goede landbouwpraktijken: er wordt bemest in functie van de gewasbehoeften, de bodemeigenschappen en het tijdstip. Hierdoor benutten de gewassen de stikstof efficiënter en vermindert het risico op nitraatuitspoeling.
Door derogatie kan de landbouwer meer dierlijke mest toepassen, ten koste van kunstmest. En dit zonder dat de nitraatuitspoeling tijdens de winter verhoogt.
Hieronder ziet u een aantal voorbeelden van goede landbouwpraktijken. Ze steunen op wetenschappelijk onderzoek en op proefveldwerking in Vlaamse onderzoekcentra:
- ten minste 2/3 van de dierlijke mest, met uitzondering van bemesting door beweiding, toedienen vóór 15 mei;
- grasland in het voorjaar ploegen en het onmiddellijk laten volgen door een gewas dat veel stikstof opneemt, zoals gras, bieten en maïs;
- nadat blijvend grasland is geploegd, het niet meer bemesten. De bodem stelt dan immers voldoende stikstof ter beschikking van het gewas.
- nadat de wintertarwe is geoogst er onmiddellijk een zogenaamd niet-vlinderbloemig vanggewas inzaaien en dit ten laatste op 10 september. Dit vanggewas mag niet ingeploegd worden vóór 15 februari het jaar nadien.
Jaarlijkse aanvraag
Landbouwers die de derogatie willen toepassen dienen jaarlijks een aanvraag in bij de Mestbank. Ook verklaren ze zich akkoord met de voorwaarden die worden gekoppeld aan de derogatie. De Mestbank zal mogelijke derogatiebedrijven gericht informeren over de modaliteiten.
Mestsoorten binnen derogatie
Slechts een beperkt aantal mestsoorten mag toegepast worden op percelen waarvoor een landbouwer derogatie aanvraagt. De stikstof-fosfaatverhouding van sommige mestsoorten, zoals zuivere varkensmest, laat het immers niet toe om de fosfaatgift onder controle te houden als er 250 kg stikstof uit dierlijke mest per hectare wordt toegepast.
Dit zijn de mestsoorten die voor de derogatie in aanmerking komen:
- mest van rundvee, met uitzondering van mestkalveren;
- mest van paarden, geiten en schapen;
- de dunne fractie van gescheiden varkensmest. Hieraan zijn een aantal voorwaarden verbonden. Zo mag het aandeel van de zwevende delen, stikstof en fosfaat in de dunne fractie respectievelijk maximaal 20%, 65% en 30% bedragen ten opzichte van de ruwe varkensmest.
Verwachtingen
Wellicht 11.000 landbouwbedrijven zullen een derogatie aanvragen. En ongeveer 200.000 hectare zal volgens de bepalingen van de derogatie worden bemest. Zo zal circa 14,5 miljoen kg stikstof uit dierlijke mest extra worden aangewend.
De extra afzet bedraagt voor:
- grasland: 10 miljoen kg stikstof. Grasland zal ruim 60 % uitmaken van de derogatieoppervlakte;
- maïs: 4 miljoen kg stikstof;
- bieten en wintertarwe: 0,5 miljoen kg stikstof.
De totale extra mestafzet door de derogatie komt overeen met 3 miljoen ton dierlijke mest. Het resterende mestoverschot in Vlaanderen kan dan grotendeels worden weggewerkt en teruggebracht tot nog nauwelijks 300.000 kg stikstof.
De rundveehouderij en varkenshouderij krijgen hierdoor meer mogelijkheden. De waterkwaliteit moet echter tegelijk verbeteren. De derogatie laat dit toe op voorwaarde dat de landbouwers die erin stappen de bepalingen strikt naleven.
Minister Crevits gelooft alvast zeer sterk in een efficiënte toepassing van de derogatie.
Emissiearme aanwending
Waarom moet de mest emissiearm opgebracht worden?
Wanneer mest oppervlakkig gespreid wordt, vervluchtigt naast de voor de omgeving onaangename geurstoffen een belangrijke hoeveelheid ammoniakale stikstof. De hoeveelheid stikstof die verloren gaat is afhankelijk van verschillende factoren, namelijk de mestsamenstelling (ammoniumconcentratie, pH en drogestofgehalte), omgevingsfactoren (weersomstandigheden, grondsoort, bodemconditie en eventuele begroeiing) en bedrijfstechnische factoren (mestgift en toedieningstechniek). De meteorologische omstandigheden tijdens of na de mesttoediening zijn niet beïnvloedbaar. De overige emissiebepalende factoren kunnen daarentegen wel gemanipuleerd worden om de ammoniakemissie te beperken. Zo kan men de mestsamenstelling veranderen (verdunnen, inregenen, aanzuren) of het bovengrondse mestoppervlak verkleinen (toediening van mest in stroken, onderwerken).
Wat is emissiearme aanwending van mest en hoe moet men mest uitrijden?
Emissiearme aanwending
Elke bemesting moet op een emissiearme wijze gebeuren. Dit betekent dat:
- bij bemesting de toegediende meststoffen niet mogen afspoelen;
- voor 'andere meststoffen', champost en stalmest arm aan ammoniakale stikstof, deze meststoffen binnen de 24 uur wordt ondergewerkt;
- dierlijke mest en alle 'andere meststoffen' (rijk aan ammoniakale stikstof) emissiearm worden toegediend, zoals hieronder beschreven.
Teelt |
Emissiearme aanwendingstechniek |
Grasland |
- zode-injectie
- sleepslangtechniek
|
Niet-beteelde cultuurgrond |
- injectie
- inwerken binnen 2 uur na spreiden (*)
|
Beteelde cultuurgrond ander dan grasland |
- injectie
- sleepslangtechniek
|
(*) uitzondering: zaterdag onmiddellijk inwerken
In afwijking moeten volgende meststoffen niet emissiearm worden aangewend:
- stalmest of champost die op grasland worden opgebracht;
- stalmest, champost of compost die gebruikt worden voor bepaalde houtige teelten;
- spuistroom;
- effluenten van be- of verwerking van dierlijke mest met laag gehalte aan ammoniakale N (< 1kg NH4-N/1000kg of liter) (mits attest van Mestbank).
Welke emissiearme technieken zijn er?
Mestinjectie
Bij injectie wordt de mest dieper in de bodem gebracht. De vervluchtiging bij een goede uitvoering is dan ook gering. Mestinjectie is een van de eerste technieken die is onderzocht om de ammoniakemissie te beperken. De mest wordt 12 tot 18 cm diep, via een ganzenvoet aan de injectietand, in sleuven in de grond gebracht, waarna de sleuf dichtgerold wordt. De onderlinge sleufafstand is 50 cm. Deze techniek is niet onder alle omstandigheden toepasbaar. De techniek is vooral geschikt voor zandgrasland, omdat bij zwaardere grond, zoals kleigrond, zodebeschadiging optreedt. Bovendien dient mestinjectie vroeg in het voorjaar te worden toegepast om schade aan de graszode door verdroging en verbranding te beperken. De opgesomde problemen met mestinjectie hebben geleid tot onderzoek naar en de ontwikkeling van andere mesttoedieningsmethoden of combinaties ervan.
Zode-injectie
De zode-injectie kan vergeleken worden met de mestinjectie, met dit verschil dat mest minder diep wordt geïnjecteerd in de grond, namelijk in de graszode zelf. De mest wordt 5 tot 10 cm diep in sleuven in de grond gebracht, waarna de sleuf dichtgerold wordt. De sleuven worden 25 à 30 cm van elkaar getrokken.
Sleepslangtechniek
De sleepslangenmachine bestaat uit een systeem met slangen die de mest in stroken op het gras leggen. De onderlinge afstand tussen de slangen bedraagt ongeveer 30 cm. De breedte van de meststroken is 5 tot 10 cm.
Inwerken
Bij het inwerken van mest wordt de mest na het uitspreiden door de grond bedekt, ofwel intensief met de grond vermengd, zodat de mest niet langer als zodanig op de grondoppervlakte ligt.
Bemestingsplan en –register, leidraad voor een goede bemesting
Wat is een bemestingsplan?
Een bemestingsplan is een overzicht op perceelsniveau waarin u het gebruik van dierlijke mest, andere meststoffen en kunstmest plant aan het begin van het bemestingsseizoen. De maximale bemestingsnormen mogen daarbij niet overschreden worden.
Waarom een bemestingsplan?
Dankzij een bemestingplan kan u het gebruik van meststoffen nauwkeurig afstemmen op de gewasbehoeften. Zo kunnen uw gewassen optimaal groeien én draagt u bij tot een betere waterkwaliteit. Bovendien kan u uit een goed opgemaakt bemestingsplan precies afleiden hoeveel mest u nog kan ontvangen of moet afvoeren. In deze zin is het bemestingsplan een knipperlicht om u te behoeden voor overbemesting.
Bemestingsregister
Bij het bemestingsplan hoort een bemestingsregister. Dat is als het ware een dagboek van een perceel, waarin u de uitvoering van het bemestingsplan noteert en bijstuurt waar nodig. In het bemestingsregister noteert u de toegediende bemesting per perceel binnen de 7 dagen na toediening.
Het bemestingsplan en -register kunnen ook als één geheel beschouwd worden. In dat geval hoeft u in het register enkel de data van bemesting in te vullen, en aan te geven welke elementen er verschillen met het plan. Is op een bepaald perceel alles uitgevoerd zoals in het plan aangegeven, dan noteert u op dit perceelsplan ‘bemesting uitgevoerd conform het plan’.
Wat vermeldt u in uw bemestingsplan?
De vorm waarin u het bemestingsplan bijhoudt (papier, digitaal) staat vrij. Het is de bedoeling om alle onderstaande elementen in rekening te brengen en uitdrukkelijk te vermelden in het plan.
In het bemestingsplan plant u welke soort mest u inzet op welk perceel, naargelang de bemestingsbehoefte van de gewassen. Bij beweiding houdt u rekening met de rechtstreekse uitscheiding van mest door de dieren.
Verschillende percelen met eenzelfde uitbatingswijze mag u groeperen. Denk aan percelen met dezelfde teelt en teeltcombinaties en hetzelfde bodemtype (klei, leem, zand, …), waar u dezelfde mestsoort zal gebruiken en waarvoor dezelfde maximale bemestingsnormen gelden.
Per perceel (of groep van percelen) noteert u:
- het perceelnummer en de oppervlakte. Het is handig om ook de ‘roepnaam’ die u aan het perceel geeft hierop te vermelden, zodat u precies weet over welk stuk het gaat;
- de geplande datum van mestaanwending per mestsoort. Dat kan een periode van 1 week zijn. Het uiteindelijke aanwendingstijdstip in het bemestingsregister kan afwijken van deze periode;
- de geplande hoeveelheid toe te dienen mest per mestsoort en de samenstelling daarvan;
- de verwachte zaai- of plantdatum;
- de gewasbehoeften op basis van het bemestingsadvies (wanneer dit aanwezig is);
- de controle op het respecteren van alle maximale bemestingsnormen en wettelijke bemestingsvoorwaarden.
Uiteraard mag u uw bemestingsplan aanvullen met gegevens die u interessant vindt voor uw bedrijf. Hoe meer elementen u opneemt, hoe nauwkeuriger u de bemesting kan bepalen voor een optimale gewasopbrengst.
Wat vermeldt u in uw bemestingsregister?
In het bemestingsregister volgt u de uitvoering van het bemestingsplan op. Ook hier kan u vrij kiezen in welke vorm u dit document bijhoudt. In het bemestingsregister noteert u:
- de toegediende hoeveelheid mest, zowel dierlijke, kunstmest als andere meststoffen;
- ofwel de mestsamenstelling in kg N/ton of P2O5/ton ofwel de totale aangewende hoeveelheid in kg N en kg P2O5;
- de mestsoort en de mestvorm;
- de datum van toediening;
- de bemestingshoeveelheid via begrazing.
5 jaar geldig
U kan het bemestingsplan alleen opstellen, of u kan de hulp van een consulent inschakelen. Hij of zij zal samen met u berekenen hoe en wanneer u welke meststof kan aanwenden. Ook de medewerkers van de Mestbank staan klaar om u bij te staan bij mogelijke vragen of problemen.
U hoeft het bemestingsplan niet op te sturen; het moet wel gedurende 5 jaar beschikbaar zijn op uw bedrijf. U mag de gegevens ook digitaal bijhouden.
Mestbalans
Wat is de Vlaamse mestbalans?
De Vlaamse mestbalans geeft het verschil weer tussen de hoeveelheid dierlijke mest die op Vlaamse landbouwgrond terechtkomt (het mestaanbod) en de afzetmogelijkheid van die dierlijke mest op Vlaamse landbouwgrond.
Zolang het mestaanbod groter is dan de afzetmogelijkheid, is de Vlaamse mestbalans niet in evenwicht. Verdere maatregelen om het milieu te beschermen zijn dan ook noodzakelijk.
Mestaanbod
Het mestaanbod wordt bepaald door de Vlaamse dierlijke mestproductie,
• vermeerderd met de ingevoerde dierlijke mest die wordt gebruikt op de grond;
• verminderd met de geëxporteerde dierlijke mest, al dan niet na verwerking in een mestverwerkinginstallatie.
Afzetmogelijkheid
De maximale afzetmogelijkheid van dierlijke mest op Vlaamse grond is die hoeveelheid dierlijke mest die een goede waterkwaliteit geeft en voldoet aan de uitgangspunten van de nitraatrichtlijn. Die uitgangspunten zijn: geen overschrijding van de 50 mg NO3- per liter water, de eutrofiëring terugdringen en een goede fosfortoestand van de bodem realiseren.
Voor de Vlaamse mestbalans betekent dit sinds een aantal jaren: de hoeveelheid dierlijke mest die kan worden afgezet, rekening houdend met de maximale bemestingsnormen van het Mestdecreet en de mate waarin de landbouwers deze bemestingslimieten effectief invullen met dierlijke mest (=mestafzetruimte).
Uitrijbepalingen 2007
Periode
Het is toegelaten om dierlijke mest, andere meststoffen en kunstmest te spreiden tijdens de periode van 16/02 t.e.m. 31/08.(1)(2)(3)
(1) Uitzondering:
- stalmest en champost
toegelaten van 16/01 - 14/11
Onder stalmest wordt verstaan: een mengsel van stro en uitwerpselen van runderen, paarden, schapen of varkens, met een droge stofgehalte van minimum 20 procent, waarbij het mengsel als vaste mest is ontstaan door het huisvesten van deze dieren in ingestrooide stallen of door het bewerken van dierlijke mest met stro. Mengsels met uitwerpselen van pluimvee worden niet beschouwd als stalmest.
Onder champost wordt verstaan: afgeoogste champignonmest die overblijft na het telen van champignons.
(2) Uitzondering:
- andere meststoffen met trage N-vrijstelling of met lage N-inhoud en
bewerkte dierlijke mest met trage N-vrijstelling of met lage N-inhoud.
geen verbodsperiode op voorwaarde dat:
- het meststoffen met trage N-vrijstelling of met lage N-inhoud betreft, en de producent van de meststoffen hiervoor een attest bekomen heeft.
- Men spreekt van trage stikstofvrijstelling wanneer de minerale stikstof minder dan 15 % van de totale stikstof bedraagt en wanneer de minerale stikstof samen met de snel vrijkomende organische stikstof lager is dan 30 % van de totale stikstof.
- Men spreekt van lage stikstofinhoud wanneer de totale stikstof maximum 0,6 kg N/ton bedraagt.
- er een kopie van het attest aanwezig is bij het transport en de toediening. Hierop dient tevens het nummer van het corresponderende mesttransportdocument vermeld te worden.
- de onderstaande gebruiksvoorwaarden worden gerespecteerd:
Soort meststof |
Maximale dosering gedurende verbodsperiode |
Aanwezigheid gewas |
Trage N-vrijstelling |
30 kg minerale N/ha |
Gewas aanwezig of binnen 30 dagen na toediening |
Lage N-inhoud |
30 kg N/ha (waarvan 10 kg minerale N/ha) |
Gewas aanwezig bij toediening |
(3) Uitzondering:
- dierlijke mest op zware kleigronden in de polders:
toegelaten van 16/02 t.e.m. 14/10.
Andere verbodsbepalingen
Het is verboden om dierlijke mest, andere meststoffen en stikstofhoudende chemische meststoffen te spreiden:
- op alle zondagen en feestdagen, met uitzondering van kunstmest;
- vóór zonsopgang en na zonsondergang;
- op drassig, overstroomd, bevroren of besneeuwd land;
- tot 5 m landinwaarts vanaf de bovenste rand van een waterloop; deze afstand bedraagt 10 meter vanaf de bovenste rand van het talud van een waterloop die gelegen is in het Vlaams Ecologisch Netwerk, of indien de waterloop grenst aan een helling.
Wat is mestverwerking?
Mestverwerking omvat::
- het exporteren van pluimveemest of paardenmest;
- het behandelen van dierlijke mest of andere meststoffen, waarna de nutriënten vervat in de dierlijke mest of andere meststoffen:
- ofwel worden gemineraliseerd en de residu's, die na de mineralisatie overblijven, niet op landbouwgrond gelegen in het Vlaamse Gewest, met uitzondering van parken, plantsoenen, en particuliere tuinen, worden opgebracht, tenzij die residu's eerst zijn behandeld tot kunstmest;
- ofwel worden gerecycleerd en het gerecycleerde eindproduct niet op landbouwgrond gelegen in het Vlaamse Gewest, met uitzondering van parken, plantsoenen en particuliere tuinen, wordt opgebracht.
Mestverwerking versus mestbewerking
Het belangrijkste verschil tussen en mestVERwerking en mestBEwerking is dat bij mestbewerking de nutriënten na de behandeling van de mest wel op de Vlaamse landbouwgrond worden opgebracht.
Opslagcapaciteit
Een bedrijf dient ten laatste op 31 december 2011 te beschikken over een mestopslagcapaciteit voor de opslag van dierlijke mest:
- van ten minste 9 maanden voor dieren die steeds op stal staan;
- van ten minste 6 maanden voor dieren met buitenloop;
- van ten minste 3 maanden voor stalmest.
De verplichting geldt niet als de landbouwer kan aantonen dat elke hoeveelheid mest boven de werkelijke opslagcapaciteit zal worden verwijderd op een onschadelijke wijze voor het leefmilieu. Deze verplichting geldt evenmin voor pluimvee waarvan de mest in de stal blijft en afgevoerd wordt na elke ronde.
|